VpB-vrijstelling thuiszorginstelling beperkt

De VpB-vrijstelling is niet van toepassing op een thuiszorginstelling die ook niet-zorgactiviteiten kan verrichten, zo concludeerde advocaat-generaal (A-G) Wattel onlangs. De thuiszorginstelling voldoet volgens de A-G niet aan de winstbestemmingseis van art. 4 Uitv. besl. VpB.

Rechtbank Arnhem oordeelt dat de bv niet voldoet aan de voorwaarden die aan haar statuten worden gesteld voor toepassing van de VpB-vrijstelling. Hof Arnhem – Leeuwarden oordeelt dat de bv niet voldoet aan de winstbestemmingseis van art. 4 Uitv.besl. VpB. Volgens het hof kan de bv op grond van haar statuten namelijk ook niet-zorgactiviteiten verrichten. Verder staat de met de niet-zorgactiviteiten behaalde winst, evenals de met andere niet AWBZ-gerelateerde activiteiten behaalde winst, op grond van de statuten, ter vrije beschikking van de ava van de bv. Aan een en ander doet volgens het hof niet af dat op grond van de statuten de met zorgactiviteiten behaalde winst wel uitsluitend mag worden aangewend voor de in art. 4 Uitv.besl. genoemde doelstellingen. De bv is geen van VpB vrijgesteld lichaam in de zin van art. 5 lid 1 onderdeel c Wet VpB 1969. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

A-G Wattel concludeert dat de bv niet voldoet aan de winstbestemmings-eis van art. 4 Uitv. besl. VpB. De A-G overweegt hierbij dat deze eis twee cumulatieve voorwaarden stelt:

  • eventuele winst van het lichaam (uit welke activiteit ook) moet volgens de statuten uitsluitend kunnen worden bestemd ten bate van een algemeen maatschappelijk belang of een (ander) ex art. 5 lid 1 onderdeel c Wet VpB 1969 vrijgesteld lichaam.
  • feitelijk moet behaalde winst ook uitsluitend aan één van die twee bestemmingen toevloeien.

Volgens de A-G is de uitleg van het hof van de statuten van de bv niet onbegrijpelijk. De A-G adviseert de Hoge Raad om het cassatieberoep van de bv ongegrond te verklaren.