Bij 183 dagenregeling telt ook niet-werkdag mee

Op 14 juli 2017 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan over de toepassing van de 183-dagenregeling voor de bepaling welk land heffingsbevoegd is over het loon van een werknemer. Voor de 183-dagen-eis in artikel 15 van het belastingverdrag met België gaat het volgens de Hoge Raad om de aanwezigheid in de werkstaat en zijn dus ook de aan het werk gerelateerde dagen waarop men niet werkt van belang.

Belanghebbende woont in België. Op zijn woonadres is ook de naar Belgisch recht opgerichte [A] BVBA (hierna: de BVBA) gevestigd, waarvan belanghebbende bestuurder en enig aandeelhouder is. De BVBA is actief in bouwkundig projectmanagement. Zij heeft in 2009 op 181 dagen in Nederland werkzaamheden verricht ten behoeve van haar Nederlandse opdrachtgever [B] B.V. te [Q] . De werkzaamheden zijn feitelijk uitgevoerd door belanghebbende die daarvoor op de werkdagen heen en weer reisde vanuit zijn woonplaats in België naar [Q] .

De uitleg van de HR is, dat bij de tekst van het belastingverdrag met België aansluiting is  gezocht bij het OESO-modelverdrag. Hierdoor is voor de uitleg van artikel 15 van het verdrag met België het OESO-commentaar van grote betekenis. Hieruit volgt dat dagen van verblijf in de werkstaat niet alleen de daadwerkelijke werkdagen betreffen, maar ook de overige dagen van aanwezigheid in de werkstaat die enig verband houden met de werkzaamheden daar. Zoals zaterdagen, zondagen, vakanties en vrije dagen voor, tijdens of na beëindiging van werkzaamheden of korte onderbrekingen daarvan.

Voor meer informatie en uitleg zie ECLI:NL:HR:017:1326